Wilt u een radio-interview beluisteren? Klik dan hier

In het Nederlands werd Marietta Petkova geïnterviewd door:

Elegance (mei 2008, febr. 2006, sept. 2002), 100 % passie: klassiek (boek van Paul Janssen, jan. 2008), Over Mozart gesproken (boek van Wenneke Savenije, juni 2007), NRC Handelsblad (6 febr. 2006, 21 maart 2005), Noordhollands Dagblad (nov. 2007, febr. 2004), Luister (febr. 2006, jan. 2003), Gooi & Eemlander (nov. 2007, febr. 2006, april 2005, febr. 2000), Nouveau (okt. 2004), Friesch Dagblad (febr. 2006), Dagblad van het Noorden (febr. 2006), BN/De Stem (jan. 2005, sept. 1999), De Stentor (23 sept. 2004), Kinesiologie (sept. 2004), Dialog (febr. 2007), Limburgs Dagblad (24 april 2003, okt. 1999), EPTA Piano Bulletin (winter 2002/03), Het Parool (7 dec. 2002), Haarlems Dagblad (febr. 2002, sept. 2001), Jonas Magazine (door Wenneke Savenije, juni 2001), Safe (april 2001), De Gelderlander (dec. 2000), Pianowereld (maart 2000, jan. 1996), Brabants Dagblad (febr. 2000), Reformatorisch Dagblad (jan. 2000), De Limburger (okt. 1999), Gelders Dagblad (okt. 1999), Haagsche Courant (sept. 1999), Het Financieele Dagblad (aug. 1999) en de Leeuwarder Courant (mei 1999).

Wilt u een exemplaar toegestuurd krijgen? Klik dan hier om ons een email te sturen.

Hieronder hebben wij voor u een aantal fragmenten uit interviews geselecteerd:

‘OPIUM’ (AVRO) TV IJMOND NRC HANDELSBLAD PIANO BULLETIN
ZAANRADIO ALTOMEDIA ELEGANCE LUISTER
‘CASA LUNA’ TV BELGIË JONAS MAGAZINE  

 

‘OPIUM’ (AVRO), RADIO 1, 14 juli 2007 (met Arjan Peters):

“Je treedt heel veel op in zalen. Je bent dus niet iemand die zich jarenlang terugtrekt en dan een (studio-)cd uitbrengt. Is dat een bewuste keuze?”
“Ja. Optreden brengt veel bij mij naar boven. Het bevordert mijn groei. De ontmoeting met het publiek is voor een artiest het belangrijkste, denk ik. Het geeft waanzinnig veel energie. En ook veel informatie over hoe je bent, wie je bent… Elk concert is als een proefsteen.”

“Wat gebeurt er dan, waardoor dat samengaan van de uitvoering en het publiek iets extra’s oplevert?”
“Ik denk dat het de genade van het moment zelf is. Het moment dat geen alternatieven toelaat: het is zo en niet anders. Elke keer is uniek. Muziek leeft pas wanneer zij gedeeld wordt met het publiek. Dat is pas het echte leven van een muziekstuk.”

“Er zit ook een gevaartje aan, want het kan ook wel eens misgaan… Dat is dus ook het moment. Maar is dat juist ook iets dat trekt? Dat het ook wel eens niet kan lukken?”
“Ja, absoluut. Ik denk dat dat de charme en de kracht van dit beroep is. Het is niet inwisselbaar, niet herhaalbaar, er zijn geen ‘generale repetities’. Alles is voor de eerste keer.” [..]

“Ik kan me ook een ‘vijandige’ zaal voorstellen, een zaal die er niet zoveel zin in heeft, een ‘abonnementenpubliek’… Die hebben misschien eigenlijk wel wat anders te doen, en het is mooi weer en… ‘nou ja, dan gaan we maar...’ Hoe ga je zo’n publiek ‘te lijf’?”
“Ik denk dat het voor een musicus veel belangrijker is dat hij of zij van het publiek houdt, dan dat het publiek van hem of haar houdt. Dat is het enige dat helpt, in dit soort gevallen. Wanneer je een bepaalde weerstand voelt, om dan toch voorop te zetten: ‘Ik houd van het publiek!” Als je je zo opstelt, verandert men onmiddelijk.”

“Hoe gaat dat dan? Je hebt een onwillig pubiek, en jij hebt de houding: ‘Ik houd tóch van u’, en dan merk je dat het verandert…”
“Omdat ik muziek als werktuig heb. Ik ben niet alleen. Het zou veel moeilijker geweest zijn als ik een sprekend beroep had gehad. Maar helemaal eenzaam ben ik niet: ik heb een hele wereld voor mij en ik praat als het ware ook met de componist, met andere aanwezigheden. Dat alles is zo’n geweldige bescherming! En een bron van kracht. En dat doet het publiek veranderen. Dat zet weerstand in ontvankelijkheid om. Dat heb ik vaak meegemaakt.” [..]

“Die Prelude van Rachmaninov, opus 23 nr. 5, is eigenlijk een stuk in één beweging, [..] een cyclische vorm. Gooi je het er ook in één beweging uit?”
“Ja, als het goed gaat wel. De muziek van Rachmaninov is een urgente muziek. Bij Brahms, Chopin en Schumann fluctueert de muzikale gedachte tussen verleden en heden, tussen droom en werkelijkheid. Bij Rachmaninov is alles nu, niet gisteren en niet morgen. Dat eist volledige aanwezigheid en overgave op dit moment. Dus: in één adem…” [..]

“Wat vind je van Glenn Gould, de legendarische Canadese pianist die op een zeker moment besloot om [..] niet meer voor publiek op te treden? [..] In zijn afgelegen studio opnamens maken, perfectioneren; geluiden oppoetsen e.d., waardoor er een bijna abstract muziekstuk ontstond?”
“Het is misschien niet zo abstract als het lijkt. Ik denk dat de huidige platenindustrie veel abstracter is dan wat Gould deed. Het was niet simpelweg het nastreven van perfectie. Om niet te vergeten: hij heeft veel concerten gegeven, en toen hij besloot om één kant van het concertleven vaarwel te zeggen, was dat een heel bewuste en diep doorleefde keuze. Het had niet zozeer te maken met zoeken naar perfectie. Ik denk dat zijn type, zijn ‘extase’, zich het beste kon ontplooien in een studio, zijn terrein, waar hij, met alleen goede mensen om zich heen, zijn gang kon gaan. En niet door het concertleven te leiden, van stad naar stad te reizen, vandaag dit programma te spelen, morgen wéér dit programma… Dat heeft hij in een documentaire ook mooi onder woorden gebracht. Wat dat betreft is hij beslist niet mijn tegenpool.”

“Je tegenpool is dus meer die huidige drang naar studio-opnames en perfectie, die niet uit een artistiek oogpunt voortkomt, zoals bij Gould wèl het geval was,…”
“…maar om een ‘product’ neer te zetten dat goed in de markt valt, uit allerlei overwegingen, en dat heeft op een gegeven moment niets meer met muziek te maken. Het wordt inwisselbaar.”

“…Inlevingsvermogen: György Sebök [..], jouw leermeester, zei: ‘Je moet geen anoniem doorgeefluik zijn.’ En dat nou juist wat je vaak hoort zeggen, zo van: ‘Het is zo mooi…, de pianist cijfert zichzelf helemaal weg en er staat niets meer tussen de muziek en de luisteraar in. Maar jij zegt dus: ‘Die muziek kun je het beste overbrengen als je jezelf nadrukkelijk wel als uitvoerder in beeld brengt en laat horen’. [..] Je probeert je te verplaatsen in de componist, anders dan een uitvoerder die denkt: ‘Er is daar een componist; ik ben maar een uitvoerder en ik speel wat daar staat…”
“Ja, wat heel essentieel is, is dat men probeert te grijpen wat aan het notenbeeld voorafging. Wat heeft Beethoven of Brahms zo gegrepen; wat voor stormen hebben zij beleefd; wat voor verlichtingen hebben ze gezien…? Dàt is belangrijk: de stemming, de emotionele wereld van de componist vóórdat de muziek uit zijn pen vloeide, dus vóór het papier.”

“Haal je die kennis uit biografieën van die componisten? Verdiep je je in hun levens?”
“Ja, dat sowieso. Maar ik denk dat je sommige dingen in geen boek kunt lezen. In jezèlf, in je levens- en mensenkennis, je intuïtie, dáár is de bron van kennis, die je helpt om bij dat oorspronkelijke gevoel te komen, dat allereerste gevoel van de compositie, vóór dat papier.”

ZAANRADIO, 6 april 2007 (met Janine Voskamp):

[..] “Ik geloof dat het een Zen-wijsheid is, die zegt: “Er is geen weg naar het geluk; het gelúk is de weg.” Dat heeft me altijd diep geraakt, en hierin lees ik ook de woorden van György Sebök, of zijn inzichten.”

“Dit is eigenlijk iets voor het hele leven. En wat heb je op het gebied van pianospelen van hem geleerd?”
“Ja, dat is moeilijk om zo te ontcijferen, want er zijn heel veel specifieke dingen. Zoals: hoe gebruik ik mijn lichaam, mijn instrument. Want de piano is weliswaar mijn instrument, maar mijn lichaam is mijn belangrijkste instrument. Waar Sebök zo goed in was: hij kon als een laserstraal in iemands mind kijken, en zien: Wat is goed voor die persoon? Wat stoort die persoon? Waar zijn de blokkades? Waar zijn de fricties, waardoor de muziek niet kan kan stromen? Want muziek is in feite als een moedertaal. Pianospelen moet niet moeilijk zijn of enorme inspanning kosten. Het is niet gemakkelijk, maar op een gegeven moment is het wel mogelijk dat men het als moedertaal gaat spreken, dat pianospelen niet meer overdonderend moeilijk is.”

“We hadden het net over het lichaam, hè? Jan Wijn heeft iets over jouw handen gezegd..., dat hij nog nooit iemand had gezien die zo haar handen op de piano beweegt. Wat is er zo speciaal aan, weet jij dat?”
“Misschien moet je dat aan hèm vragen. Ja, hij zei volgens mij zoiets als eh..., ja, zo was het: ‘Als ik haar handen zag, dacht ik: die heeft in een vorig leven ook piano gespeeld.’ Met andere woorden, hij bedoelde waarschijnlijk dat ze zo natuurlijk en zo toetsenminnend zijn. Dat ik er niet uitzie als iemand die ‘handelt’, maar op de een of andere manier als een verlenging/verlengstuk van het toetsenbord/klavier. Als een eenheid. Zoiets; ik kan het moeilijk beschrijven, omdat ik me niet zo bewust ben van wat ik precies doe. Want in de loop van de tijd, als je er zoveel mee bezig bent, wórdt het ook een tweede natuur. Het is zoeken naar: wat is de meest directe weg om muziek uit te drukken? Want daar gaat het om; het gaat uiteindelijk niet om ‘pianospelen’. Het gaat om: hoe elimineer ik alles wat niet nodig is om dichtbij de muziek te komen en die over te brengen.”

“Ja, het is bijna een soort ballet dat je met je handen uitvoert.”
“Nou, ik ben blij dat het ook een beetje mooi is om te zien.”

“En ook je gelaatsuitdrukking.”
‘Igor Strawinsky heeft geloof ik gezegd: “Men luistert niet alleen, maar men kijkt ook naar een concert.” Het is niet alleen maar de auditieve ervaring; visueel is het ook belangrijk. Niet dat men iets probeert te compenseren, want de gelaatsuitdrukking, de manier van beleven, komt van binnenuit, als het goed is. Het is niet iets dat toegevoegd is. Ik hoop althans dat het bij mij niet zo overkomt. Het is geen choreografie of zo. Het is als het ware resoneren met de muziek, leven op dit moment. En iedere keer is het ook weer anders: als ik morgen in een andere zaal speel, zal het misschien een net iets andere tint hebben. Want tenslotte ben ik iedere dag een mens: iemand die leeft, verandert en steeds andere dingen ervaart. Dus dat is heel afhankelijk. En iedere keer is het belangrijk dat ik mezelf blijf. Dat ik niet iets doe om iets te doen, als spektakel. Dat ik niet toneelspeel of iets zit te vertellen dat eigenlijk niet geloofwaardig is. Nee, ik moet erachter staan, en dat kan als ik mezelf blijf.“

“Is het moeilijk om jezelf te blijven als ze over jou zeggen: ‘Zij is een Mozart-pianiste’?’
‘Integendeel: dat stimuleert mij. Als ze tegen mij zeggen dat ik een Mozart-pianiste ben, dan word ik juist nóg meer mijzelf.”

“En als ze tegen je zeggen: ‘Zij is een Rachmaninov-pianiste’? Een recensent schreef dat je het Vierde Pianoconcert met Maris Janssons moet gaan opnemen. Gaat dat nog gebeuren?’
‘Nou, ik weet van niets. Misschien ooit. Daar heb ik geen macht over. Het zou mooi zijn.”

“Maar kun je nog iets meer vertellen over dat Vierde Pianoconcert, want dat is in 1927 in de gehele versie uitgevoerd, en daarna niet meer, heb ik dat goed begrepen?”
“Ja, klopt, want Rachmaninov heeft zelf het stuk diverse keren herschreven en heel veel weggelaten, en was telkens niet tevreden met zichzelf. Maar ik vind dat zijn allereerste, originele versie echt een meesterwerk is. Meer dan dat: echt een statement. Een statement voor zijn leven, en ook voor die epoque, dat hele tijdsperk.’ ‘Ja, dat geeft een kik, zo’n première. Dat je met veel mensen iets kunt neerzetten als een hommage, als eerbetoon aan zo’n groot componist.”

‘CASA LUNA’, NCRV, RADIO 4, 10 februari 2006 (met Lex Bohlmeijer):

“Gaat muziek voor jou dan ook die rol vervullen, zo van: dát is eigenlijk het paradijs?”
“Ja. Het paradijs is ook mijn vaderland. Muzíek is mijn vaderland. Daarin voel ik mij thuis en daar zijn geen... Laten we zeggen: als ik muziek maak, dan krijg ik vastomlijnde antwoorden op de vragen die ik heb. Of liever gezegd, nog sterker: er zijn geen vragen. Niet meer.”

“Dan ben je thuis.”
“Ja. De vragen beginnen daarna.”

“Als de muziek verstomt.”
“Ja.”

TV IJMOND, januari 2001:

“Om heel eerlijk te zijn: ik zou mijn liefde voor Mozart en mijn liefde voor Rachmaninov niet op de weegschaal kunnen zetten. Dat is heel moeilijk. Want als ik op een bepaald concert alleen maar Mozart zou spelen, dan zou dàt mijn lievelingscomponist zijn. Datgene waar ik op dat moment mee bezig ben, is het centrum van liefde. Hetzelfde geldt voor Rachmaninov, of voor Bach, Chopin, Bartók... Ieder van hen komt uit dezelfde bron, maar de wegen die daar naar toe leiden, zijn anders. Vooral voor de interpreet. De middelen zijn anders.”

“Chopin roept bijvoorbeeld andere emoties op dan Rachmaninov. Chopin’s fantasie beweegt zich tussen heden en verleden. Maar bij Rachmaninov bestaat een soort van noodzakelijkheid: alles wat zijn geest beïnvloedt moet op dít moment uitgedrukt worden, zonder ook maar enige vertraging of omweg. Dat is dus een wezenlijk verschil tussen die twee, en dat beïnvloedt, dat kleurt ook mijn innerlijke staat wanneer ik een Ballade van Chopin vertolk of een Prelude van Rachmaninov.”

ALTOMEDIA (Franse film over György Sebök), juli 1997:

“Ik herinner mij een belangrijk moment. In de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw zou ik het Derde Pianoconcert van Rachmaninov gaan spelen. Vlak van tevoren werd ik enorm angstig. Ik dacht: “Dit kan ik niet!... Ik kan straks die trap niet afdalen!... Ik kan niet spelen! Mijn hoofd is helemaal leeg!” Ik was totaal in paniek. Vijf minuten voor aanvang zat ik daar in mijn kamer. En ik vroeg me af: “Waarom? Waarom deze ongelooflijke angst?” Plotseling herinnerde ik me een utspraak van György Sebök: “Men is bang, want men is bang voor de dood.” Dat was voldoende om die trap af te kunnen dalen en mezelf te bevrijden.”

TV BELGIË, juni 2007

(met Fred Brouwers in het panel bij het Koningin Elisabeth Concours):

“In mijn ogen zijn de werken van Schubert ‘gesprekken met de eeuwigheid’. De aanwezigheid van de pianist mag niet zo voelbaar zijn. Het zijn geen Klavierstücke.”

“Ik vind dat de muziek van Rachmaninov geslachtsloos is, om het maar zo te zeggen. Zij is niet vrouwelijk en ook niet mannelijk. Ze is voor alles menselijk. [..] Als ik naar de opnamen van Rachmaninov of Horowitz van het Derde Pianoconcert luister, dan heb ik het gevoel: zij spelen op leven en dood. Het is een episch verhaal, als Oorlog en vrede van Tolstoj.”

NRC HANDELSBLAD, 21 maart 2005, (met Wenneke Savenije):

"In mijn hart heb ik me altijd een rebel gevoeld. Een rebel met zachte handschoenen. Mijn systeem snakt naar de vrijheid om uit te spreken waarin ik geloof. Niemand kan je vertellen hoe Chopin gespeeld moet woren. Dat kun je alleen maar ontdekken met je hart. Ik hou niet van formules, want die verstikken het leven. Elk doel is een illusie. Als pianiste probeer ik het optimale te bereiken. Zo één te worden met de muziek, dat ik, terwijl ik op het podium zit, het meest directe medium word tussen de componist en het publiek. [..]”
“Zingen is zijn, zegt de dichter Rilke. Dat is het motto van mijn nieuwe CD ‘Encores’. Muziek wordt in vrijheid geboren en laat zich niet vangen in de lege kooi van een studio. De kracht van muziek ligt in de spontaniteit waarmee ze ontstaat, op dát moment en op díe manier. Muziek is ook een gedeelde ervaring met het publiek. Niet morgen of gisteren, maar met de intensiteit van het nu. Daarom geloof ik niet in knippen en plakken in de studio. Dan krijg je een klinkende pannekoek. [..] Volgens Goethe ligt in ieder afscheid een kiem van waanzin. Alleen wat doodgaat is levenswaardig. Encores symboliseren dat voor mij. Een roos bloeit ook uit, dat hoort bij het leven. In de studio is er geen afscheid, dus ook geen leven.”
“Muziek maak je vanuit de plek waar je huilt, lacht en bemint. Dat bepaalt hoe het klinkt.”
“[..] Het grootste wonder is Bach. Voor hem geen internet, geen reizen, geen opwindend leven. En toch wist hij alles van het leven. Busoni’s bewerking van Bachs Adagio uit de Toccata BWV 564 is mijn dierbaarste toegift. Dat heeft met Sebök te maken. In de oorlog moest Sebök in de mijnen werken – de spinnen kropen over zijn hoofd. De enige manier om te overleven was ieder gevoel uitschakelen. Toen hij weer begon te spelen, kon hij niets meer voelen. Pas toen hij dit Adagio speelde, brak zijn verdriet en begon alles weer te stromen.”

ELEGANCE, September 2002 (met Marion Florusse):

"Eerlijk zijn en je overgeven, vertrouwen op jezelf, met alle risico's van dien. Het loslaten van alles: ego, drang tot controle. Vaak heb ik het gevoel gehad dat het lukte. Op zulke momenten ben ik een open zee; één met de piano, één met de muziek."
"Het belangrijkste is een verbinding maken met dingen die je niet kunt zien, omschrijven of verklaren. Muziek maken is niet analytisch, het gaat om het gevoel dat je íets begrijpt van de kosmos, het universum."
"Je lichaam en je handen zijn het instrument om uit te drukken wat je geest hoort en dat is vaak heel ongrijpbaar. Het is een botsing tussen geest en materie. Mijn grootste zorg is alles zodanig uit te schakelen dat er niets meer tussen mij en het klavier staat en niets tussen het klavier en de muziek. Maar je lichaam is altijd ballast, elke gedachte die niet met de muziek van dat moment te maken heeft, is ballast. Voor een concert mediteer ik dan ook om zo leeg mogelijk te worden."
"Elk doel dat je jezelf stelt is een illusie. Daarom stippel ik ook niets uit op lange termijn. Het enige wat ik probeer, is het optimale te bereiken en zó één te worden met de muziek, dat ik het meest directe medium word tussen componist en publiek."

JONAS MAGAZINE, juni 2001 (met Wenneke Savenije):

“Inspiratie is een gevaarlijk woord, omdat het suggereert dat er iets van buitenaf komt, alsof het een soort smaakmaker is, zoiets als peper en zout. Maar voor mij betekent inspiratie ‘in spirit’ zijn. Het is iets van binnenuit, een ontvankelijke toestand waardoor je één wordt met de muziek, een overgave waardoor je je ego en angsten kan loslaten, opdat je jezelf vrij kan maken om te ontvangen en geven.”
“Of het nu om Bach, Chopin of Rachmaninov gaat, het belangrijkste is dat je zonder conventies kan uitdrukken wat er werkelijk in jezelf leeft, terwijl je tegelijkertijd intuïtief de emoties probeert aan te voelen die de muziek wil verklanken.”
“Van je hoofd tot aan je hart is maar vijftig centimeter, en toch is het heel moeilijk om recht vanuit je hart te spelen. Want daar huist de ziel.”
“Oprechtheid is voor mij een sleutelbegrip in de muziek. Het heeft te maken met alles in jezelf toelaten, óók je twijfels en angsten. Het betekent dat je geen valse poses aanneemt om te imponeren. Veel musici proberen alles al studerend onder controle te krijgen, omdat ze geloven dat je jezelf niet kwetsbaar op mag stellen. Maar muziek maken betekent ontvangen, geven en dienen.”
“Muziek betekent alles voor mij. In die zin is het mijn ware religie. Muziek wijst mij de weg in het avontuur om werkelijk mens te worden. [..] Ik ben geen masochist, maar ik geloof in het nut van obstakels. Het grootste doel dat een mens zich kan stellen is steeds opnieuw grenzen verleggen, het zichzelf op de proef stellen, het overwinnen van zichzelf. Weerstand prikkelt tot geboren worden. Om met mijn lievelingsschrijver Antoine de Saint-Exupéry te spreken: ‘Leven betekent langzaam geboren worden’.”

PIANO BULLETIN , december 2002 (met Christo Lelie):

“In muziek, maar ook in het leven, ervaar ik alles wat me overkomt als het beste.”
“Plankenkoorts, de menselijke kant van het spelen – het vleselijke – is er altijd. Ik spreek uiteraard alleen voor mezelf. Je kunt het niet overwinnen, maar wel transformeren. Vlak voordat je opkomt voel je je erg ongelukkig, je bent helemaal alleen, het lichaam is zo present. Maar dat lichaam is toch je enige toegang tot het hoogste, want met je lichaam moet je het podium op. Daar word ik iedere keer weer mee geconfronteerd.”
“Het blijft onvoorspelbaar of de inspiratie komt. Op momenten dat ik dacht: ik heb niets te vertellen, wat moet ik nou, komt de inspiratie soms na de eerste frase al. Dat geeft vertrouwen. Het omgekeerde komt ook voor: als je in optimale omstandigheden bent, kan de inspiratie achterwege blijven. Het is tekenend voor de onvoorspelbaarheid van het leven. Sebök heeft me geleerd dat je niet moet vechten maar moet accepteren. Dan kun je transformeren.”
[over Mozart:] “Van muziek is het zo mooi dat alles dat ons daarin ontroert voorbij de dood reikt. Ik heb het altijd een grote paradox gevonden dat muziek onlosmakelijk verbonden is met de dood en deze tegelijk ontstijgt. Dit heeft me altijd bezig gehouden, bijvoorbeeld als ik Mozart speel. Ik wil echter niet zeggen dat de gedachte aan het sterven een schaduw op de muziek werpt, want dat zou de indruk wekken dat de dood altijd somber is, terwijl Mozart gezegd heeft dat de dood zijn beste vriend is. Hij zag het heel anders. [..] Hij wist in het donker het licht te zien, in het kleine het grote, hij kon alles omdraaien: de traan heeft altijd het licht in zich en het licht de traan. Als ik me dit realiseer, kan ik alleen maar denken: het leven is wonderbaarlijk, met alles erop en eraan.”

LUISTER, januari 2003 (met Paul Janssen):

“Ik heb een sterke innerlijke stem waar ik altijd aan vast heb gehouden. Het is een diep weten waar je naartoe gaat. Al is dat voor mij eerder een weg dan een doel. Ik heb geen vastomschreven doel dat ik wil bereiken. Het is meer het leven optimaal leven zonder weerstand te bieden. Muziek is daarin mijn werktuig, het middel om mijzelf en daardoor anderen beter te leren kennen. Het is een alles-of-niets-relatie. Dat kan niet anders: muziek verdraagt geen halve beslissingen. György Sebök zei het al: je kunt niet op twee stoelen tegelijk zitten.”